Op deze warme bijna-zomeravond, 17 juni, hield Karel Witteveen een inleiding over de Japanse dichtvorm de Haiku.

Hij vertelde dat Haiku’s 3-regelige gedichten zijn. En dat ze uit 17 Japanse lettertekens bestaan. Er is geen rijm.
De Haiku wordt op een handgeschilderde prent gepenseeld, bijvoorbeeld: verticaal aan de linkerzijde van het papier.
Van oudsher is het thema van een Haiku meestal een waarneming in de natuur. Je kunt er vaak ook het seizoen uit aflezen. Als het gedicht bijvoorbeeld over bloesem gaat, dan weet je dat het seizoen de lente is. Vlinders scheppen een beeld van de zomer, zoals in deze prent van Shunman (1757-1820).

Om ons, deelnemers aan de workshop, op gang te helpen zelf iets te gaan schrijven, stelde Karel Witteveen ons vragen als: Waarvandaan vertrok je toen je naar deze Workshop toeging? Wat hoorde je onderweg? Wat zag je? Wat rook je? Zo waren er tien vragen. Wij schreven.
Daarna lazen wij deze teksten achter elkaar, in tweetallen, aan elkaar voor. En wij vertelden de ander dan wat ons in elkaars teksten was opgevallen, had getroffen.
Toen was het tijd, uit onze eigen teksten haiku’s samen te stellen.
Drie regels: vijf woorden, zeven en weer vijf. Maakt zeventien.
De laatste regel vormt meestal een conclusie, een verrassing.
Wel, we wérden verrast: door onszelf, door de anderen.
Er ontstond ruimtelijkheid. Het onverwachte trad in.

Liesbeth
Buiten is het zwoel
De bomen staan in het groen.
Mijn jas kan wel uit.

Jona
Spetterende bomen
in volle bloei en groen
de reis duurt niet lang

Daniël
Een rode warme
bol lacht ons gul tegemoet
leidt de zomer in
Het park baken van
rust bron van hectiek samen
in de grote stad
Gelijk zijn in het
verschil hoe twee uitersten
pariteit kennen

Hans
Hé hallo wat leuk
meisje met tatoeages
ik doe mijn trui uit

Lydwina
Voeten op de grond
de clips van mijn fietstassen
schuivend pak papier

Marianne
Donkergrijze lucht
bedekt de zomerse zon
sombere wereld

Olga


